|
In memoriam Vic Batta
geboren 1 mei 1923 te Wyck overleden 9 mei 2004 te Maastricht Geachte aanwezigen, Zoals jullie merken spreek ik geen Maastrichts. Dat zou eigenlijk wel moeten, want pap was een echte Maastrichtenaar. Ik kan het natuurlijk wel, maar ik woon al 22 jaar in ‘Holland’ en ik druk me na al die tijd gemakkelijker uit in het Nederlands. Ik denk ook in het Nederlands. Geen Maastrichts dus. Sorry. Pap zou dat wel begrijpen. Natuurlijk was hij een chauvinist, dat zijn alle Maastrichtenaren, maar hij was geen man van extremen. Hij was eerder eenvoudig en gematigd. Met een opgewekt humeur en een opgeruimd karakter. Meestal vrolijk. Maar hij kon ook erg boos worden. En was dat ook weer snel vergeten. Dus als kind hield je je op zo’n moment gewoon eventjes rustig. Hij kon ook koppig zijn en omdat ik zijn genen heb botste dat nog wel eens. Maar ook ik was dat altijd weer snel vergeten. Handig en veelzijdig was hij zeker. Pap kon alles. Zo lang het maar niks met elektronica te maken had. Hij was een kei in schilderen en behangen. Kon vloerbedekking en parket leggen. Bouwde van twee kapotte auto’s weer een goeie. Zette zijn eigen knopen aan. Timmerde een complete vouwcaravan. Naaide er een voortent bij op een ouderwetse trapnaaimachine. Kende elk piefje en palletje van elk type fiets. Knutselde de meest fantastische sinterklaassurprises in elkaar. Laste een aanhangwagen samen. En bakte heerlijk taarten. Ik leerde veel van zijn handigheid en inzicht, maar het belangrijkste dat hij me leerde was om goed op te letten als een vakman iets deed. Zo had hij ook alles geleerd. En altijd als ik in Maastricht was liet hij me trots de fietsen zien die hij net had opgeknapt. Trots op het resultaat, maar hij schepte er niet over op. Hij had een hekel aan opscheppers en blaaskaken. Hij beoordeelde iemand op zijn daden, niet op zijn woorden. En daden waren er bij hem genoeg. Hij is nooit te lui geweest om te werken. Was altijd bezig. En hij was nooit te beroerd om iets voor iemand anders te doen. Toen pap veertien jaar was kreeg zijn vader, die een bakkerij had, een ongeluk met de bakkerskar. Hij stopte met school en viel voor zijn vader in. Later leerde hij het vak van bakker als knecht bij een aantal bakkerijen in Maastricht. In de oorlog werd hij tewerkgesteld bij een bakker in Duitsland als jongen van 19. Hij zat er drie jaar en had het er zeker niet slecht, maar het was natuurlijk niet leuk. Daar verrichte hij ook zijn verzetsdaad. Pap was geen man van grote daden, maar hij verving wel een deel van het meel door zaagsel, waardoor hij elke week een paar extra broden kon bakken voor een groep Hollandse gevangen in het dorp. Aan het eind van de oorlog raakte hij door verschillende besmettelijke ziektes eerst zijn stem kwijt en later kon hij niet meer lopen. Al zijn gespaarde geld uit Duitsland ging op aan de behandeling door een zenuwarts. Het lag niet in zijn aard om werk te maken van een vergoeding, maar het werd hem ook niet aangeboden. Na de oorlog werd hij vertegenwoordiger voor diverse bedrijven. Hij verkocht onder meer papieren verpakkingen, citrusvruchten, ijs, vetten, mayonaise en kaas. Met zijn hartelijkheid en opgeruimde karakter ging hem dat goed af. Zijn betrokkenheid bij het werk was altijd erg groot. Hij had ook wel eens de kans om een zaak over te nemen, maar daarvoor ontbrak hem het lef. Misschien wist hij onbewust ook wel wat goed en niet goed voor hem was, want hij kon ook erg piekeren en zich zorgen maken. Tussen al deze bedrijvigheid door was hij ook nog even autospuiter en timmerman, maar uiteindelijk koos hij voor de regelmaat van een baan bij de papierfabriek. Dat gaf rust in het gezin en door de volcontinue dienst ook voldoende inkomen. En hij hield nog genoeg tijd en energie over om bij mensen te schilderen en te behangen om zo het gezinsinkomen te versterken. Op zijn 58ste ging hij met de VUT. Van die vrijheid werd volop gebruik gemaakt. Samen met mam trok hij er voortdurend op uit met de caravan en de vouwfietsen die later vervangen werden door snorfietsen. Enthousiaste verhalen kon hij daarover vertellen. Over dingen die dicht bij hemzelf lagen, want hij had niet de interesse om zich sterk te verdiepen in de plaatsen die hij bezocht. Dat vond hij niet zo nodig. Hij genoot zo ook wel. Ik vond al dat gereis heel fijn voor mijn ouders en was altijd trots als ik kon vertellen dat ze al weer op pad waren. In die jaren begon pap ook met vrijwilligerswerk bij Wereldwijd. Het was niks voor hem om alleen maar vakantie te vieren. Hij moest ook wat doen. Hij knapte fietsen op die naar Afrika werden verscheept en later droeg hij zijn kennis van dat vak zelfs over op asielzoekers. Ik moest altijd erg lachen als ik me voorstelde hoe dat ging. Pap sprak slechts enkele woorden Engels, maar met zijn sterk ontwikkelde gebarentaal en mimiek kon hij altijd alles duidelijk maken. Hij stapte ook in het buitenland altijd op iedereen af om de weg te vragen of zo. Schroom kende hij niet. Zo liep hij op zekere dag tijdens een vakantie in Italië samen met de bakker naar diens bakkerij om hem uit te leggen, of beter, te gebaren hoe hij nou eigenlijk brood zou moeten bakken. Dat vrijwilligerswerk is uiteindelijk zijn langstdurende baan geweest. Hij deed het ruim twintig jaar met veel plezier en inzet. In die periode was hij ook thuis veel bezig met het opknappen en repareren van fietsen. Stilzitten kon hij immers niet en het leverde een leuk zakcentje op. Zijn klantenkring was op het laatst aanzienlijk. Zelfs op de dag dat hij naar het ziekenhuis ging leverde hij nog een paar fietsen af. Pap bleef altijd eenvoudig en gematigd. Dat klinkt misschien een beetje saai en dat was misschien ook wel zo, maar hij had ook een andere kant. Hij kon soms lak hebben aan allerlei conventies en deed dan zijn eigen ding. Zo bestond de huwelijksreis van pap en mam in 1952 uit een rondje Nederland per motor. Ze sliepen in een tentje. Met een paal in het midden! Misschien niet de meest vruchtbare plek voor een huwelijksreis. Die week moet heel belangrijk voor hem geweest zijn, want daar vertelde hij vaak verhalen over. Het was ook niet niks met de wegen en motoren in die tijd. Het was hun avontuur. Misschien is mijn passie voor het reizen per motor wel daardoor ontstaan. En zo deed hij wel meer dingen anders dan anderen. Is voor de meeste mensen een luxe auto het ultieme statussymbool, pap kocht al een stationcar toen dat nog gezien werd als een bestelauto. Een bakkerswagen noemden wij het om hem te plagen. En toen mam er een beetje aan gewend was kocht hij een bestelbusje. Het was handig voor de fietsen en tijdens een paar vakanties sliepen ze er zelfs in. Hij vond dat soort praktische dingen belangrijker dan status. Pap deed dus soms zijn eigen dingen, maar hij was ook vaak erg conventioneel en ouderwets. Zo vond hij het heel belangrijk om zich voor een treinreis netjes aan te kleden. Natuurlijk inclusief hoed. Dat hoorde gewoon zo. Die hoed droeg hij sowieso altijd als hij weg ging. Thuis liep hij het liefst in zijn ouwe kloffie, maar zodra hij zich onder de mensen beging had hij eerder een chique uitstraling. Erg conventioneel was hij wat eten betreft. Het spreekwoord: ‘wat de boer niet kent, dat blieft ie niet’ was zeker van toepassing. Hij at graag gewoon aardappelen, groente en vlees. En dan met veel jus. Paprika en knoflook waren hem een gruwel. En met zijn goed ontwikkelde smaak- en reukzin viel hij ook niet te bedotten door mam. Voor ons als kinderen was dat ook niet leuk. Als hij bij je kwam eten kon je maar beter niet je best doen op allerlei bijzondere gerechten. Je deed hem er geen plezier mee. Aan de andere kant kon hij ook opeens iets wel heel erg lekker vinden. Zo genoot hij een keer enorm van spruitjes op mijn studentenafdeling. Maar die waren volgens hem dan ook heel anders klaargemaakt dan thuis. Hij hield niet van aparte dingen, maar kon wel enorm genieten van de dingen die hij kende. Van een goed stuk mokkataart of een heerlijke bonbon. En hij straalde als een kind als hij vertelde over dat uitgebreide ontbijtbuffet in een of ander vakantiehotel. Niet dat hij veel nam, maar die overdaad, en dat je alles kon nemen. Pap kon goed verhalen verteller. Hij was een makkelijke prater. Behalve over zijn gevoelens. Dat viel hem zwaar. Toch wist je wat je aan hem had en het was misschien ook niet nodig om daarover te praten. Een van de belangrijkste tips die hij me gaf voor het sleutelen aan motoren, luidde: vast-is-vast. Je draait een moer of een bout met een sleutel handvast en dan zit het goed. Dan moet je er niet meer aankomen. Zo was het ook in zijn relatie met mij. Vast-is-vast. Je voelde dat het goed zat. Daar hoefde je het niet meer over te hebben. En ik denk dat dat ook gold voor zijn relatie met mijn moeder en mijn broer en zus. Vast-is-vast. Ja, in mijn herinnering was pap een fijne vader. Hij was niet het type vader dat met je ging voetballen of zo, maar je wist dat hij voor je klaarstond als je hem nodig had. Ik heb vooral ook goede herinneringen aan de keren dat we samen iets maakten, zoals de veranda of de kas in de tuin. Onze relatie was gebaseerd op wederzijds respect. Hij heeft me ook altijd mijn gang laten gaan. Hij had, denk ik, al vroeg door dat ik over allerlei zaken mijn eigen ideeën heb en hij vond dat oké. Over de relatie tussen mijn ouders heb ik me nooit zorgen gemaakt. Dat zat wel goed. Vast-is-vast. Ze gingen altijd op een plagerige manier met elkaar om, maar dat was, denk ik, hun manier om hun liefde te tonen. Pap was vitaal. Een harde werker. Ging altijd maar door. Niet dat hij nooit wat had. Zijn lijstje is aanzienlijk. Een hernia, twee keer een pneu in zijn long, twee hartoperaties inclusief hartklep en pacemaker, poliepen in zijn blaas. En altijd ging hij maar door. Zijn lichaam was al vroeg stram, maar voor het witten van een plafond draaide hij ook op latere leeftijd zijn hand niet om. En hij kroop zelfs de laatste jaren nog blijmoedig met zijn kleinkinderen over de vloer. Hij was er altijd trots op dat zijn wondjes zo goed genazen. Hij smeerde er wat purol op en dan was het zo weer over. Behalve deze laatste keer. Hij moest voor een kleinigheid het ziekenhuis in, maar daar ging het in vier weken tijd van kwaad tot erger. De laatste twee weken heeft hij niet meer bewust meegemaakt. Ook zijn 81ste verjaardag niet. Zijn lichaam lag continu te vechten, maar het leven ontglipte hem. Purol hielp nu niet meer. Het zal ook niet helpen om onze pijn te verzachten. Leon Batta, 15 mei 2004 |